Beroep tegen een uitspraak van de Huurcommissie

Huurders en verhuurders van woonruimte kunnen over bepaalde kwesties een procedure starten bij de Huurcommissie. De website van de Huurcommissie meldt in welke gevallen dit kan. Tegen een uitspraak van de Huurcommissie staat geen bezwaar open. Wel staat voor zowel de verhuurder als voor de huurder beroep open bij de kantonrechter. Dit is geregeld in artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Door mr. drs. C.G. (Christian) Huijsmans, advocaat huurrecht, bouwrecht en koop van vastgoed en werkzaam bij Advocatenkantoor Zeeland te Goes

In dit webartikel bespreek ik hoe dit beroep kan worden aangetekend bij de kantonrechter. Ik bespreek daarnaast een aantal bijzonderheden rondom het instellen van dit beroep. Ook bespreek ik of het daarna nog mogelijk is om hoger beroep in te stellen bij het Gerechtshof.

Beroepsinstantie en beroepstermijn

De partij die beroep wil aantekenen zal dit moeten doen binnen acht weken nadat de Huurcommissie haar uitspraak heeft verzonden. Dit beroep moet worden ingesteld bij de Kantonrechter. Tot aan de wijziging van het Wetboek van Rechtsvordering zal dit beroep moeten worden ingesteld door middel van een dagvaarding.[1] Op een latere termijn zal dit bij kantonzaken ook kunnen worden gedaan met een procesinleiding.

Wanneer het beroep te laat is ingesteld, zal de insteller niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Een te laat beroep heeft juridisch tot gevolg dat beide partijen geacht worden te zijn overeengekomen wat in de uitspraak van de Huurcommissie is vastgesteld.

Wanneer een partij te laat of geen beroep instelt, kan hij zich later ook niet meer met succes beroepen op de stelling dat de Huurcommissie de procedure onzorgvuldig of onjuist heeft aangepakt. Het is in strijd met het systeem van de wet om de uitspraak van de Huurcommissie na het verstrijken van de beroepstermijn alsnog te laten vervallen of wijzigen.[2] De uitspraak blijft dan in stand, ongeacht de wijze waarop deze tot stand is gekomen. Deze gedachtengang is niet in strijd met artikel 1 van Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 6 en 7 EVRM en artikel 15 van het IVBPR.[3]

Binding aan de uitspraak vervalt

De hoofdregel is dat beide partijen gebonden zijn aan de uitspraak van de Huurcommissie alsof zij de beslissing van de Huurcommissie zelf zijn overeengekomen. De binding aan de uitspraak van de Huurcommissie gaat direct in en niet pas na ommekomst van de termijn van acht weken. Zodra binnen de termijn beroep is ingesteld, vervalt alsnog de binding aan de uitspraak. Feitelijk is de fictieve wilsovereenstemming tussen deze twee partijen daarmee vervallen.[4]

De huurder en verhuurder zijn dus verplicht om gelijk uitvoering te geven aan de gevolgen van de uitspraak. Wanneer één van de partijen hieraan uitvoering geeft, kan daardoor niet worden aangenomen dat hij zijn recht heeft verwerkt om nadien een ander standpunt in te nemen.[5]

Wijze van toetsen door de Kantonrechter

De Kantonrechter heeft (uiteraard) een zelfstandige taak. Hij kan het geschil in volle omvang opnieuw beoordelen. Hij is daarbij uiteraard wel gebonden aan de onderwerpen die aan hem zijn voorgelegd. Ondanks deze zelfstandige taak zal de Kantonrechter bij de beoordeling van het geschil veelal het (rapport van) voorbereidend onderzoek van de Huurcommissie als uitgangspunt nemen.[6]

De partij die beroep aantekent zal moeten letten op de wijze waarop hij zijn vorderingen formuleert. Het zal moeten gaan om hetzelfde onderwerp waarover de Huurcommissie een beslissing heeft genomen. Het is niet mogelijk om voor recht te laten verklaren dat de uitspraak van de Huurcommissie wordt vernietigd.[7] De wet biedt deze mogelijkheid niet.

Het is toegestaan om andere/nieuwe argumenten te gebruiken.[8] Sterker nog: de partij die beroep instelt wordt aangeraden om – indien mogelijk – nieuwe argumenten aan te dragen tegen de beslissing van de Huurcommissie. Ook is het toegestaan om tijdens de beroepsprocedure een deskundigenbericht in te dienen die de door de Huurcommissie vastgestelde feiten weerspreekt. De partij die beroep aantekent zal alle relevante argumenten in deze procedure moeten aandragen, dit vanwege de beperkte mogelijkheid van een hoger beroep (zie verderop dit webartikel).

Incidenteel beroep door gedaagde in de kantonprocedure?

Beide partijen mogen beroep aantekenen. Maar wat als de uiteindelijke gedaagde in de beroepsprocedure buiten de termijn van 8 weken alsnog aangeeft dat hij het niet eens is met de uitspraak van de Huurcommissie (een incidenteel beroep)? Het antwoord is voor mij niet duidelijk. Dit vraagstuk komt zijdelings aan de orde in een aantal uitspraken.

Het Gerechtshof heeft geoordeeld over een kwestie waarbij de uiteindelijke gedaagde in een lopende kantonprocedure werd geconfronteerd met een negatieve uitspraak van de Huurcommissie. De gedaagde had toen reeds een conclusie van antwoord ingediend. In een tweede processtuk gaf de gedaagde (overigens niet heel duidelijk) aan dat hij het niet eens was met de beslissing van de Huurcommissie, doch dit geschiedde buiten de termijn van acht weken. Volgens het Gerechtshof was dit te laat.[9]

De kantonrechter Amsterdam formuleert in algemene zin dat gevolgen die verbonden zijn aan het niet instellen van beroep gelden voor beide partijen, dus ook voor de partij die na (ruim) verloop van de beroepstermijn een tegenvordering instelt die afwijkt van een eerdere beslissing van de Huurcommissie.[10]  Het betrof hier echter geen beroepsprocedure. Ook uit deze uitspraak kan ik niet concluderen dat een gedaagde in de beroepsprocedure na het verstrijken van de beroepstermijn niet meer incidenteel beroep kan instellen.

Wanneer de mogelijkheid tot een incidenteel beroep zou vervallen, zou dit tot onredelijke situaties kunnen leiden. Immers, wanneer de uiteindelijke eiser pas op het allerlaatste moment beroep instelt, zou de gedaagde geen mogelijkheid meer hebben om zelf ook te vorderen dat een bepaald onderdeel van de uitspraak van de Huurcommissie moet worden gewijzigd. Dit terwijl het voor de uiteindelijke gedaagde misschien opportuun was om pas beroep in te stellen wanneer de andere partij dat ook zou doen.

Later is er een kantonrechter geweest die een incidenteel beroep dat na acht weken is ingesteld inhoudelijk in behandeling lijkt te nemen.[11] Zoals gezegd kan ik echter geen definitief uitsluitsel geven over de toelaatbaarheid van een incidenteel beroep buiten de beroepstermijn. Het gaat mij te ver om artikel 339 Rv (dat geldt voor hoger beroep) hierop naar analogie van toepassing te laten zijn.

Hoger beroep bij het Gerechtshof?

Er staat geen beroep open tegen een beslissing waarin de kantonrechter oordeelt over een uitspraak van de Huurcommissie. Dit is geregeld in artikel 7:262 lid 2 BW. Dit noemt men een rechtsmiddelenverbod of appèlverbod. Wanneer toch hoger beroep wordt ingesteld, dient in beginsel niet-ontvankelijk verklaring te volgen.

Dit rechtsmiddelenverbod kan in een aantal gevallen worden doorbroken. Dit kan wanneer de kantonrechter bij zijn oordeel bepaalde wetsartikelen ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast, of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.[12] Of wanneer de kantonrechter een fundamenteel beginsel van een eerlijk en onpartijdig proces, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, zou hebben geschonden. Wanneer een appellant reeds stelt dat hiervan sprake is, moet hij worden ontvangen in hoger beroep.[13] Daarna zal het Gerechtshof inhoudelijk moeten beoordelen of hiervan ook echt sprake is.[14] Het argument dat de kantonrechter zijn beslissing gebrekkig heeft gemotiveerd is geen reden om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken.

Conclusie

Het is mogelijk om beroep aan te tekenen tegen een uitspraak van de Huurcommissie. Zowel de huurder als de verhuurder kan binnen acht weken na verzending van de uitspraak beroep aantekenen bij de kantonrechter. Het is voor beide partijen van belang dat zij alle relevante argumenten voorleggen aan de kantonrechter, omdat in beginsel geen hoger beroep openstaat bij het Gerechtshof.

[1] Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2141

[2] Rechtbank Rotterdam 17 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1921

[3] Rechtbank Amsterdam 25 september 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX8924

[4] Zie bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Nederland 20 augustus 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6875. Ook: Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 089, nr. 6, p. 47

[5] Rechtbank Den Haag 9 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4074

[6] Zie bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Nederland 20 augustus 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6875

[7] Rechtbank Noord-Nederland 20 augustus 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6875

[8] Rechtbank Midden-Nederland 2 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5968

[9] Gerechtshof ’s-Gravenhage 24 november 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4234

[10] Rechtbank Amsterdam 25 september 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX8924

[11] Rechtbank Noord-Nederland 20 augustus 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6875

[12] Gerechtshof Amsterdam 25 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3478; Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP7262

[13] HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0417;  Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2141

[14] Gerechtshof Arnhem 23 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5598

C.G. (Christian) Huijsmans

C.G. (Christian) Huijsmans

mr. drs. C.G. (Christian) Huijsmans is in 2008 beëdigd als advocaat. Gaandeweg heeft hij zich naast echtscheidings- en alimentatiezaken toegelegd op het onroerend goedrecht. Hij adviseert met name over huurkwesties en geschillen die voortvloeien uit de koop en (ver)bouw van onroerend goed.

Advocatenkantoor Zeeland

Wulfaertstraat 3
4461 HS GOES
T: 0113 27 70 00
www.advocatenkantoorzeeland.com